Contacteer ons

WIE IS DE KOERIER VAN NAVARRA ?

De Koerier van Navarra (°1991) verkreeg zijn naam via de oude postdienst te paard tussen Spanje en Brussel, in de twee eeuwen dat Spanje onze Lage Landen bestuurde. De culturele vereniging De Koerier van Navarra koestert communicatie tussen hier en ginds, geïllustreerd door de postruiter in ons logo.

We willen een dieper beeld scheppen van het land onder de Pyreneeën, met zijn overdrukke kusten maar met slechts weinig verkenners binnenin. We doen dingen met niet enkel maar een hoog olé-gehalte. En de blik op zon, zee en zand. Eén van onze ideeën is langs verhalen, kookdemo’s en live-concerten, de Spaanse keuken en zeker de wijn en de muziek boeiend te serveren. Kijk in dit foldertje maar even naar de boeken die we hierover publiceerden.

De cultuurkring De Koerier van Navarra zetelde tot bij zijn vertrek naar elders in de Leuvense Erfgoedraad en werkt permanent samen met de cateringdienst Pasos Largos.  Ivo Hermans stichtte De Koerier van Navarra, schreef de boeken en is de verteller en chef van De Koerier van Navarra.

 

meer info hieronder:

 

 

Kovana paella traiteur

standplaats van De Koerier van Navarra en Pasos Largos

Lange tafel Koerier van Navarra


‘DE KOERIER VAN NAVARRA’ IS EEN LOCATIE EN EEN MERKNAAM BOVEN DRIE PARTNERS :

PASOS LARGOS ( handelszaak:  lokaal en op verplaatsing) – BTW : BE0534.675.183
BANK : IBAN BE97 0016 9922 1849 – BIC GEBABEBB

oOo

DE KOERIER VAN NAVARRA VZW  ( enkel cultuur: boeken, voordrachten) – BTW : BE0443.326.721
BANK : IBAN BE25 4286 1009 6182  –  BIC  KREDBEBB

(afkorting KvN)


 

IVO HERMANS STICHTTE IN 1991 DE KOERIER VAN NAVARRA

oOo  het   wat?    en   waarom?  oOo

 

De tijd schrijdt voort en de wereld verandert. Maar wij  zitten nog steeds in de ‘Lage landen’. Dit predicaat ‘lage’  is volgens mij niet altijd enkel maar een aardrijkskundige hoogtebepaling.

Verder hoor ik – dixit Ivo Hermans – ook niet langer thuis tussen de stramme lijnen van links of rechts. Vruchten van de oude Franse Revolutie, die verwerden tot politieke folklore en die steeds meer  mentale benauwdheid verwekken. In de praktijk leidt dit nu tot een forse knoeiboel. Want gedachten en wetten uit de 18° eeuw zouden best eens dringend gepreciseerd kunnen worden in deze toch wel zéér nieuwe tijden. Behalve dan in de hoofden misschien van sommige opportunistische bourgeois-bohémiens. Die vrolijke, vrijzinnige, welgestelde predikanten van het politiek correcte aureool, die ver van de sociale shit solidair zijn met hun kliek en verder met alle noden daarbuiten, als die maar hun goeie afstand houden.

Ikzelf ben een voorstander van morele in plaats van politieke opties. Want politiek correct zijn is vaak slechts een schijnpose uit gemakzucht via het volgen van enkele ‘verstandige’ collectieve regeltjes. Met een makkelijk meegenomen OK-imago. Steeds in de roos in deze beeldcultuur die slechts de buitenkant kan inschatten. Ideaal dus voor snelle personen die niet zoeken naar de wortel van het probleem – om de bon ton van hun kring niet te storen – maar die makkelijk na een korte confessie vlug een goedmens willen lijken. Instant karma … Ze zouden waarschijnlijk gelukkiger zijn met de liegplicht.

De morele optie daarentegen veronderstelt een permanente interpretatie van steeds nieuwe dingen, via de complexe schakels van het geweten. Vanzelf moeilijker dus.  Aftastender. En zeker een stuk eenzamer.  En dieper. Bob Dylan formuleerde het ooit als:  To live outside the law, you must be honest.  Daarom moet ik vroeg of laat afscheid nemen van personen die immoreel zijn. En zij van mij, want ze horen mij.

In 1991 stichtte ik De Koerier van Navarra. Een cultuurkringetje dat ook dienst deed als overlevingsmechanisme in mijn bohémienbestaan. Dit initiatief belichaamde zich in de ruimte als een soort literair salon, getooid als een restaurant. Maar voornamelijk was het een installatie, vormelijk verwant aan een huiskamer. Een soort volplastiek rond illusies van tijd en verbeelding.

Een rehabilitatie van Edelkitsch. En een omstandigheid waarin niets anders was dan wat het niet leekwat soms door sommige bezoekers spijtig genoeg niet begrepen kon worden. De kern van de procedure was nochtans slechts  ‘koken’ te verheffen tot cultuur via demo en verhaal. Toen lachte men enkel. Maar nu zijn ze er gelukkig zelf mee bezig.

Het is tenslotte niet onbelangrijk te vermelden dat men zegt dat ik ook een notoir felinofiel ben en een bewonderaar van schijnbaar onbelangrijke dingen en van al hetgeen wat niet liegen kan. In dat opzicht dus van het tegenbeeld van mezelf en van vele anderen. Ziezo, oef en voilà.  Zo zeg ik het zelf en hoeven de adders het niet meer te sissen.

Mijn poging tot aanvoelen, zegt men, is te omschrijven als een soort rationalistisch, onafgewerkt mysticisme. Want naast intuïtieve contactname – vermoed ik – biedt ook de kennis der dingen een platform voor de diepere gewaarwording van de werkelijkheid ervan. Of van de onwerkelijkheid.  Dit blijft natuurlijk altijd wel onafgewerkt. Mijn geboortedatum was Sint-Jansnacht in het jaar van de kat, en ik hoop tenslotte om spoedig verlost te worden van een stel dwangneuroten die me een gebrek aan ‘empathie’ en evenwicht verwijten, maar die, als ze hun ongelijk voelen naderen, onredelijk gaan krijsen. Of fezelen, waartegen nog minder weerwerk mogelijk is.

Aan het slot van deze tocht spinnen nog vele gedaanten voorbij. Zoals het beeld van de blinde violist Tcha Limberger, die kijkt in een inwendig heelal en die ooit een tango van Camarón zong aan de toog van de Koerier van Navarra. Of de schim van Martin Sheen die ik in Brussel, kort na Apocalypse Now, een pakje Camel zag kopen in plaats van Winston, dat ik naar hem toe lippenlas. Hij glimlachte. Zoals Will Tura glimlachte, aan wie ik bij nacht nog een briefje van honderd frank leende voor de biljettenpomp aan het tankstation in vervlogen tijden vol vervlogen gestalten.  Tussen hen glanst nog altijd de blik van Krishnamurti. Vanuit een stille zondag rond 1970, toen ik mee mocht naar een discreet salon in Antwerpen, waar de meester uitgenodigd was. Hoewel ik nog jong was vroeg hij naar mijn liefste herinnering. Ik noemde hem de namen van de dieren uit onze tuin. We hebben lang gepraat.

Maar enkel Piet de kater en zijn vrienden blijven over. Altijd nog grijpt en omknelt hij mijn been bij de donkere tonen van flamenco, waarna hij extatisch jankt als de cante jondo weent. Hallucinaties lijken het. Doorschijnend. Als er niets aanwezig is dan lucht. Ervoor, erin, erna, alleen maar lucht. Onze eerste en laatste bondgenoot. Onze adem. Hij, zonder wie we niet bestaan maar enkel stikken. Hij was, is, en zal er hopelijk altijd zijn. Als hij ons verlaat, ook enkele minuten maar, dan sterven we. Hoe beminnen we hem daarom trouw en onbewust. Die lieve echt bestaande schijnillusie. Lucht.

Soms verandert lucht in minuscule druppeltjes. In mist. Het melkwitte gas waarin lichtbeelden schijnen op het tere scherm van lucht, die we ons verbeelden omdat we hem niet zien. Die mistige beeldenschimmen van licht geven gestalte aan de onzichtbare, ontastbare en onmisbare lucht, zonder wie we snel vergaan. De schimmen van de transparante onontbeerlijkheid. De schoonheid van hun schijnbestaan siert mijn leven. In de lege lucht, het gas dat reflecteert en dat ons leven laat.

De lucht lenigt onze honger niet en lest niet onze dorst. Hij beschut ons niet tegen hitte en kou en hij beschermt ons niet tegen de boze wereld. Hij komt niet tussen in ons lot en hij schenkt ons geen bezit. Maar zonder lucht gaat het niet. De lucht die leven doet en die is zoals mijn beste vrienden. Zo zijn  mijn beste vrienden. Zinvol als de lege lucht.

Nu is ook hier het ogenblik gekomen. La despedida. Het afscheid in het Spaans. We kijken de tijd, die onze meester is, recht in de ogen. Hij reikt ons de hand. Afscheid nemen heeft iets breekbaars. Laten we hierbij het fragiele glas nog heffen en de wijn niet drinken om dronken te worden en ook niet om de fijne maniertjes er omheen. Laten we drinken om ons in schijn te herinneren wat we nooit écht hebben geweten. Wat we leken te begrijpen in een glimp, maar dan plots weer zijn vergeten. Een korte glans van een wereld die misschien niet eens ooit heeft bestaan. Maar waarbij we het gevoel hadden dat we hem toch kenden. Dat we hem al hadden bezocht.

Het kostbaarste in het leven is wat je niet vast kan houden. Zoals het leven zelf dat draait als een grillig wiel en dat wortelt in de humus van de tijd. De eeuwige tijd, zonder vorm of bestemming, maar waarin niets verloren gaat. De eeuwige en oneindige, onzichtbare cirkel van bewaring, zoals God.

Niet God de Vader of alle andere Goden die namen hebben. Maar God die de energie is zonder begin of einde en die geen naam heeft en geen gedaante. De onvergankelijkheid die een tijdloze kracht is in evenwicht tussen zinvolle opbouw en zinvolle afbraak. Naamloos en onzichtbaar, enig en zonder rivalen. De kracht waaruit alles in gelijkwaardigheid ontstaat. Ook de mensen van alle kleuren en culturen die  daardoor allen gelijk zijn. Ze kunnen elkaar bloed geven en kinderen. Waarom zouden ze elkaar dan het geluk niet schenken?

Enkel de soepele vijanden van het leven kennen het antwoord op deze vraag. Soepel zijn ze omdat hun gedaantes wisselen in de tijd. En hun talen en hun kledij. Soms gaan ze getooid in uniformen. Soms in gewijde gewaden. Soms schreeuwen ze bloeddorstige aanvalskreten. Soms fluisteren ze voorzichtige leugens. Of lijken ze verstandig en ‘correct’ in hun geslepen, sofistische sermoenen. Altijd blind in dienst van de nutteloze,  zinloze afbraak. Je kan hen moeilijk herkennen maar je voelt wel wie ze zijn. Die destro-boys and girls.

 

Het verhaal van de Koerier van Navarra  staat opgetekend in De Nomadentijd.

Het boek  ‘De Nomadentijd’  ( 491 pag. ) is verkrijgbaar als manuscript-copy via info@kovana.com. Het wordt niet uitgegeven en het is gratis en een zeldzaamheid. Voorlopig althans zolang het geen bestseller wordt. Je weet maar nooit.

 ZIE VERDER OOK GOOGLE:    ‘Ivo Hermans schrijver’  

 KLIK LINKS BOVENAAN OP DEZE PAGINA OP   ‘boeken’

 


Ivo Hermans Kovana

  •  Ivo Hermans in de plaza van San Fernando bij Cádiz
  • in een flou artistique tijdens een ‘veronica de la muerte’  2002

Koerier van Navarra Leuven

De Koerier ooit: anno 2016 toen nog in Leuven

Ivo Hermans

  • Ivo Hermans, stichter van De Koerier van Navarra’
  • bij het verschijnen van zijn boek ‘Duende’ in 1998.

Ivo Hermans met Caroline en enkele geloofsgenoten in De Koerier van Navarra

  • Caroline en enkele geloofsgenoten met Ivo Hermans in De Koerier van Navarra
  • na de boekvoorstelling over Dirk Lambrechts in juni 2015.

Ivo Hermans

Ivo Hermans na een avondlijke paella die El Romano had bereid.


EEN HERINNERING AAN DE HISPANOFLAMENCOS

Ooit trokken vele Vlamingen naar Spanje om er te werken als kunstenaar, vakman of soldaat. Sommigen verspaansten en men noemde hen de Hispanoflamencos.

In 1991 stichtte Ivo Hermans ‘De Koerier van Navarra’, een kring rond de Hispanoflamencogedachte en de Spaanse cultuur. De naam verwijst naar de oude postdienst te paard die Burgos verbond met Brussel en die nu voortleeft als een communicatiesymbool tussen de Nederlanden en Spanje.

In het begin was het lokaal van De Koerier van Navarra een klein muziektheater waar op bestelling flamencovoorstellingen plaatsvonden. Nu kan men er op aanvraag een demonstratie bijwonen over paella, gevolgd door een diner. Ook proeverijen van bijzondere Spaanse wijnen kunnen op bestelling.

Ivo Hermans is als kunsthistoricus gefocust op Spaanse en Latijnsamerikaanse themas.
Hij publiceerde ‘Duende’, de beheksing, een boek over Andalucía, flamenco en zigeuners. Verder is ook ‘Doce Doncellas’ van zijn hand. Twaalf vrouwenliederen of het witte en zwarte gelaat van de liefde. Recent schreef hij ‘Maskers van de zon’, een verhaal over wijn en stenen. Hermans is al sinds zijn jeugd in de ban van Spanje. Hij schreef zijn archeologenverhandeling, eind jaren ’70, op La Gomera. Later werkte hij vooral in Brussel in de grote tentoonstellingen, onder andere over de Azteken, de Inca’s en Europalia Mexico. In 1991 stichtte hij ‘De Koerier van Navarra’. Sinsdien verzorgt hij historiche verhalentochten in het Leuvense Groot Begijnhof rond ondermeer Alva, Farnese en Don Juan de Austria wiens troepen in Leuven verbleven.

Vaak vind je hem terug tussen de stenen ernst van Castilla of tussen de gitanos in Sevilla en Jerez. In het holst van de nacht, omwerveld door schimmen van drift en vergankelijkheid, en versmolten met de zang van de flamenco. We vroegen of je niet een Spanjaard moet zijn om dit alles te voelen. Hij antwoordde dat je ook geen Amerikaan moet zijn om de blues te voelen. Nationaliteit is één ding, maar gevoel is een ander.

Een verteltocht door het Leuvense groot begijnhof met Hermans blijft een belevenis en is telkens anders. De beeldenstorm, de geuzen, de tercios, de mystieke hofjes, de dochter van Austria, Paap Toên, de spin van het Escoriaal, paus Adriaan Boeyens, de inquisitie, de heksenhamer, de bloedraad, de wijn. U kiest maar!

Wie de Koerier ooit bezocht merkte naast het raam de reproductie van de Maria Magdalena van Isenbrandt, die nu prijkt in de kapel van San Gil bij het graf van El Cid in Burgos. En naast de grote spiegel aan weerszijden de twee tegenpolen. De mediamieke zanger Camarón de la Isla en meester Mairena. Aan de overkant, Antonio Nuñez ‘El Chocolate’ en aan zijn zijde de vrouwelijke paus van de soleares, Fernanda de Utrera. Maar de Koerier van Navarra was slechts een schakel in een net van wegen. Dit verzinnebeelden de foto’s naast het relicario op de toog. Een czardasviolist uit Boedapest, muzikanten uit Transylvanïe en de manouchezigeuners die Sarah la Cali in zee dragen in Zuid-Frankrijk. En aan de overkant in pastelkleuren een portschuit bij Vilanova de Gaia en de foto van de betreurde José do Carmo die zijn eerste Fado in Leuven zong aan de hoek van deze toog. Jaren voor de Portugalhype ontstond. Maar de eerste die men ziet bij het openen van de voordeur, hoog bij de lamp in het midden van de gang is Manolo Caracol, samen met Enrique el Cojo en Niño Ricardo, hét voorbeeld voor Paco de Lucía. Een momentopname uit het smokkelaarsmilieu van El Puerto de Santa María bij Cádiz. Op zulke plaatsen schuilt de echte flamenco. Verborgen, sensueel en gruwelijk. Volop doorvoeld en begrepen. En niet verkrijgbaar in ruil voor een ticket in het circuit van de burgerlijk gemanierde consumptiecultuur in zalen en cultuurcentra. Flamenco krijgt in de Koerier een bijzonder eerbetoon want het is één van de weinige Europese tradities die nog volop leeft en die bezield is met een actuele inhoud. Tegelijk is het ook een uiterst verminkte kunst omdat ze te lang als een folkloristische karikatuur is opgevoerd en spijtig genoeg vaak slechts in die gedaante wordt doorverkocht.

Clichédenkers met een hoog olé-gehalte snapten ons in het begin niet zo goed. Maar ondertussen wordt de Spaanse cultuur bij het brede publiek beter begrepen en tesamen daarmee ook de Koerier. De plaats drijft op poëzie. Het is een schuiloord voor herinneringen die weerspiegelen in het nu. Beelden die oprezen uit de lauwe as van de kinderhaard. Mijn herinneringen bevolken de eindeloze lucht van Spanje. Een wijdse droom waarin ik niet geboren ben noch geankerd maar waarin ik vrij kan zwerven. Spanje koestert parels van emotionaliteit waarvan je de beheksing nooit stuk mag denken.

Het was de duende die me naar Spanje bracht (Ivo Hermans). De beheksing. De vogel van de diepe aarde. Het zwarte beest dat glanst in het middaglicht, maar dat een glinsterende walm van nacht achter zich aansleept. Een walm van nacht, een masker van de zon. Met dingen verborgen achter de dingen. En met woorden die geen woorden zijn.


OOIT AAN DE RAND VAN DE STAD, WAAR DE LUCHT DE HUIZEN RAAKTE


De naam ‘flamenco’,  een Vlaamse achtergrond

Het woord flamenco werd al op allerlei manieren verklaard. Aldus een van de oudste maar weinig aannemelijke theorieën zou het een samentrekking zijn van het Arabische falah-menkoum, wat ‘lied van de landman’ betekent.

Een andere verklaring gaat over een mes dat in het Spanje van de 17de eeuw en later bolduque werd genoemd en afkomstig zou zijn uit ateliers in ’s-Hertogenbosch (Bois-le-Duc in het Frans).
De flamencos, teruggekeerde Spaanse soldaten uit Vlaanderen, droegen naar verluidt zulke messen als embleem. Onder hen waren ook gitanos die via hun legerdienst burgerrechten wilden verkrijgen.
Van het bolduque is in onze contreien echter geen spoor meer te bekennen. Experts van het Madrileense Palacio Real menen dan ook dat dit flamencomes met zijn langgerekte S-vorm van Moorse origine is. Rondtrekkende zigeuners en bandoleros in de Andalusische siërra’s droegen het met zich mee. Pas vanaf Carlos III werden alle zigeuners flamencos genoemd en heette hun mes in de volksmond el cuchillo flamenco. Zijn oriëntaalse vorm heeft dus ondanks de naam niets met Vlaanderen te maken.

Slechts één hypothese wordt gestaafd door betrouwbare historische bronnen. In Gent werd in 1500 Carlos geboren, de latere keizer Karel. Na de dood van zijn vader trok hij met zijn hele hofhouding naar Spanje. Zijn lijfwachten waren evenwel Vlamingen, flamencos, rauwe figuren uit het schuttersmilieu met een indrukwekkend postuur. Ze dronken veel, maakten lawaai, vielen de vrouwen lastig en sloegen af en toe een taberna kort en klein.

Keizer Karel en zijn gevolg verbleven een tijdje in Sevilla, waar de Vlaamse adel en het legerkorps kennismaakten met grote groepen hindoes, die na een nederlaag tegen de moslims vanuit Rajastan westwaarts richting Europa waren getrokken. Na een verblijf in Egypte waren ze via Noord-Afrika in Spanje gearriveerd. Ze noemden zich Egipcianos, Egyptenaren. Daaruit ontstond het woord gitano, wat in het Frans gitan werd en in het Engels gypsy. Ze onderscheidden zich van iedereen in Spanje in uiterlijk, taal, kleren en juwelen, dansen en gezang. Met de lijfwachten van keizer Karel hadden ze wel iets gemeen: het waren luidruchtige vechtersbazen en ook hun drankverbruik en interesse in feesten vertoonde overeenkomsten met los flamencos. Vandaar dat de Spanjaarden vonden: ‘Los gitanos parecen a los flamencos’ (de zigeuners lijken – in hun gedrag – op de Vlamingen). De zigeuners beschouwden dit als een eer, want de Vlamingen behoorden tot het koninklijke gevolg. Naarmate de tijd verstreek, verdween de verbinding gitano-flamenco.

Na de scheuring der Nederlanden in 1648 zochten verpauperde Vlamingen een nieuw bestaan onder de Pyreneeën, waar velen van hen verspaansten. Deze Spaanse Vlamingen of Hispanoflamencos brachten verslag over hun belevenissen in Spanje (ook omtrent ‘flamenco’) en gingen daarin Ford, Borrows en Washington Irving vooraf.

Omstreeks 1500 werd ook het startschot gegeven van bijna drie eeuwen zigeuner-vervolging.
Zo mochten zigeuners niet langer als nomaden rondtrekken. In 1633 werd de zigeunertaal – het caló – verboden en mochten zigeuners zich niet meer in steden vestigen. De zwartste dag uit de zigeunergeschiedenis is Zwarte Woensdag in juli 1749. Op die dag belandde het merendeel van de Spaanse zigeuners na een grootscheepse politieactie in concentratiekampen met scheiding der geslachten, wat neerkwam op een zachte genocide. 1783 was een keerpunt. Toen kondigde koning Carlos III zijn Humanitaire Wetten af. Carlos III wilde de zigeuners in de kampen burgerrechten en een paspoort verlenen, waardoor ze het recht zouden verwerven zich in de Spaanse steden te vestigen. Op voorwaarde weliswaar dat ze zich bekeerden tot het christendom, sedentair werden, Spaans zouden spreken in plaats van caló, legerdienst verrichtten en belastingen betaalden. Velen gingen akkoord en werden gitano señorito. De anderen marginaliseerden in sloppenwijken en huttendorpen, de ‘chabolas’ rond de moderne grote steden van Spanje.

De zigeuners onthaalden de koninklijke propositie op een tegenvoorstel. Zij vroegen de vorst toestemming om de negatieve term gitano te vervangen door het oude synoniem uit de tijd van Carlos I in Sevilla, namelijk ‘flamenco’. De koning stemde toe. Vanaf toen sprak men niet langer van el pueblo gitano, maar van el pueblo flamenco. Vanaf toen heette ook hun zang el cante flamenco en de dans el baile flamenco. Een eeuw later werd dit alles vervolledigd met de komst van de guitarra flamenca.

BANDOLEROS

Bandoleros in Ronda

Een belangrijk gegeven in de geschiedenis van Zuid-Spanje is het verschijnsel van de bandoleros. Als verzetstrijders tegen Napoleon worden ze later rebellen tegen de feodale praktijken van de grootgrondbezitters. Dit idealisme onderscheidt de bandoleros van de bandidos, die men overal ter wereld vindt in lompen of met vlinderdas, en die enkel gedreven zijn door zuiver egoïsme.

Het fenomeen van de bandoleros behoort niet tot vergane tijden, maar duurde voort tot na de dood van Franco en is er nog steeds. De ‘laatste’ beroemde bandolero, Pablo Pérez Hidalgo, gaf zich in de heuvels boven Marbella over aan de autoriteiten pas in 1976, toen koning Juan Carlos de macht overnam in Spanje en de Ferrari’s stilaan slopen naar de Golden Mile. De beroemdste bandoleros waren Curro Jiménez, José María El Tempranillo, Pedro Lacambra, Pasos Largos en de beeldschone Juana la Valerosa.

In dit milieu, met diepe raakpunten met de gitanos, leeft de echte flamenco die nog geen handelswaar is of flets en geprogrammeerd academisme. Anno nu leeft de geest van de bandoleros spijtig genoeg enkel verder langs de obscure smokkelroutes van overzeese ‘mercancia’. Vanaf de havens van Cádiz, Algeciras, La Coruña, Málaga, Almería, Valencia, Barcelona … via Madrid over de denkbeeldige snelwegen van de drugs. Een wereld vol macabere en onthutsende emoties. Maar ook die zijn een aspect van Duende. Dit miraculeuze Lorcaanse toverwoord is eveneens de titel van het flamencoboek door Ivo Hermans, de stichter van De Koerier van Navarra.