Contacteer ons

WIE IS

DE KOERIER VAN NAVARRA ?

 

De tijd schrijdt voort en de wereld verandert. Maar wij zitten nog steeds in de ‘Lage Landen’. Dit predicaat ‘lage’ is volgens mij niet altijd enkel maar een aardrijkskundige hoogtebepaling. En bij aanvang van dit bericht is het niet onbelangrijk om te weten dat ik een notoir felinofiel ben, van sneeuwtijgers tot zwerfkatten, en een toegewijd bewonderaar van schijnbaar onbelangrijke dingen. Vooral van wat niet liegen kan, wat een van de voorname verschillen is tussen mensen en katten.

In 1991 stichtte ik De Koerier van Navarra. Een bescheiden cultuurkring die ook dienstdeed als apparaat van overleving in het bohémienbestaan van enkelen die hem in stand hielden. Dit initiatief belichaamde zich in de ruimte als een soort literair salon, getooid als een restaurant. Maar voornamelijk was het een installatie, vormelijk verwant aan een huiskamer. Een soort volplastiek rond illusies van tijd en verbeelding, waar niets anders was dan wat het niet leek. Zoals de rehabilitatie van Edelkitschwat door sommige bezoekers spijtig genoeg niet altijd met inzicht aangevoeld kon worden, zodat ze vreemd gingen handelen, zoals een aap die lacht als hij bang is.

Sinds dan al hoor ik niet meer thuis tussen de stramme lijnen van links en rechts. Vruchten van de oude Franse Revolutie, die als politieke folklore nu steeds meer mentale benauwdheid verwekken. In de praktijk leidt dit tot een forse knoeiboel en ruw gekijf tussen hoekige denkers in polaire posities (koud), terwijl de identiteit met de dag vloeibaarder wordt. Gedachten en wetten uit de 18° eeuw zouden best toch eens dringend gepreciseerd mogen worden in deze toch wel zéér nieuwe tijden. Ik raad links en rechts aan om met elkaar in gesprek te gaan.  In plaats van mekaar met onbeleefd versleten gescheld te schofferen.  Zo kan een groot maatschappelijk polair conflict worden vermeden. Maar deze idee lijkt té progressief voor sommige progressieven. Ze is nochtans slechts zo bejaard als mijn geweten.

Verder blijf ik voorstander van morele in plaats van politieke opties. Want ‘politiek correct’ is vaak slechts een schijnpositie uit gemakzucht via het volgen van enkele ‘snelle’ regeltjes. Met een makkelijk meegenomen OK-imago. Steeds in de roos in deze beeldcultuur die vaak slechts de buitenkant en wat oppervlakkige slogans inschat. Ideaal dus voor wie niet zoekt naar de kern van de zaak, maar makkelijk en vlug een ‘goedmens’ wil lijken, zonder veel moeite. De morele optie daarentegen vergt echter een permanente interpretatie van steeds nieuwe dingen, via de complexe schakels van het geweten. Moeilijker, maar wel correcter. 

Daarnaast is een voorname hoeksteen in mijn overtuiging de scheiding tussen de auteur en zijn werk. Ik stel vast dat dit helaas geen regel is. Spijtig genoeg ken ik personen die de media, zelfs de nationale, misbruiken om hun kleine persoonlijke vetes op grote schaal te wreken. In de weet dat voor de schrijver zijn boek aanvoelt als zijn kind, schoppen zij er toch met volle kracht op in. En hoe dat aanvoelt is afschuwelijk. Dat weet ik.

Maar ik blijf de kwaliteit waarderen van het werk van sommigen, waarmee ik liever geen pint ga drinken. Werk is één ding, de maker is een ander. Moesten sommige critici dat ook vinden dan zou hun informatie veel preciezer zijn. Toch hoop ik om spoedig verlost te worden van dat soort dwangneuroten die onredelijk gaan krijsen als ze hun ongelijk voelen naderen. Of, erger nog, achterbaks gaan fezelen, waartegen geen weerwerk mogelijk is. En, als ze durven, vals met hun laars schoppen naar waar het niet hoort, zoals ik al zei. Al was het maar voor een vriendendienst of zo. Al was het maar om nog een ander destro-makkertje een pleziertje te doen.

Ik hoop echt dat ze nu een eindje uit de buurt gaan blijven. Want een plaag is het, die narcistische borderline chaoten met hun krachtige lichtspot op zichzelf, die aan lianen over het publieke podium gieren. Vooral als ze zich gooien op de ‘kunst’ zoals zij die begrijpen. Hoe dan ook vinden ze hun belegging altijd een stuk spannender dan het werk zelf en zeker en heel stuk boeiender dan de ‘faber’ die het maakte. ‘Faber’ in de Latijnse zin dan wel. Die mag enkel naar hun feestjes komen als hij eerst beroemd is geworden.

En wat baat meningsvrijheid als je niets meer mag zeggen zonder dat je als de bliksem wordt afgekrijst? Als je ideeën systematisch ‘onzin’ worden genoemd? Zelfs als je enkel zegt dat één plus één twee is. Een oprechte inschatting van iemands ideeën, anders dan de jouwe,  is niettemin basicaal voor de vrijheid en de broederlijke gelijkheid. Wie echter het geduld en de verfijning niet heeft om andermans gedachten een kans te geven, die kan beter zelf geen waarheid dicteren, laat staan, schreeuwen. Maar bij sommigen blijft de dwang om op de seconde hun gelijk uit te brullen helaas neurotisch. Ook al gebeurt dit soms in stilte. Of met schuin gefezel. Of met de tanden op elkaar en daarachter de rochel van de laster. 

Wat een verademing zou het zijn mochten die lui kunnen toestaan dat iemand nog maar zijn zin afmaakt in plaats van zonder aandacht woedend te gaan bliksemen op hun loze alarmbegrippen. Hun rode lappen. Geduldloos en onwetend over de kontekst. Met wat zelfbeheersing en respect voor andermans boodschap zou er nochtans geconverseerd kunnen worden in plaats van geloeid. Over ‘correcte’ verdraagzaamheid en luciditeit gesproken overigens. Ik hoop echt dat op een dag een geneeskrachtige aardstraal hen zal bestralen, tot een zachte rust hen nemen kan, als  een zegen voor  voor de wijde omgeving.

Bob Dylan zei ooit :  To live outside the law, you must be honest.  Ik denk dat hij gelijk had. Maar hiervoor moet je af en toe wel eens anarchist durven zijn als je geweten je overtuigt, en goeie regels verzuimen tot ze nog beter worden. Een gewetensvol anarchist met naastenliefde dan wel. Misschien zeldzaam maar wellicht de echte solidaire mens van de toekomst, die zijn aflaat niet verdient met enkel maar schijn en slogans en een fooi. Mensen van alle kleuren en culturen kunnen elkaar bloed geven en kinderen. Waarom zouden ze elkaar dan het geluk niet kunnen schenken? En de vrede in solidariteit? Hopelijk zullen de mogelijkheden daartoe worden geschapen. Dan hoeven sommige ‘goedmensen’ geen schijnbeweging meer te maken.

En hopelijk krijgt vriendschap een betere kans. Ondanks de vijanden van het leven met hun vele gedaantes die wisselen in de tijd. Soms verschijnen ze in uniformen. Soms niet. Soms schreeuwen ze bloeddorstig hun aanvalskreten. Soms fluisteren ze voorzichtige leugens. Of lijken ze verstandig en politiek ‘correct’ in hun geslepen, sofistische sermoenen. Genadeloos tegen wie niet denkt zoals zij. Soms dragen ze rode hemden. Soms bruine. En soms religieuze gewaden. Of in slobberkleren, zoals goed volk. Maar je voelt wel wie ze zijn. Enkel is het best om dit niet te laten blijken. 

Maar dat is niet makkelijk. Vooral dan nog  in alledaagse zaken. Hoe gauw worden dingen niet verkeerd begrepen en wat is dan de afloop? Opgelet hierbij voor luidruchtige omstandigheden waarin niet elk woord duidelijk verstaanbaar is en begrippen uit de streektaal bijna klinken als woorden uit de standaardtaal. Bijvoorbeeld ‘nog een klet erbij’ in het Brabants betekent ‘nog een schep erbij’ in het algemeen Nederlands. Maar personen die ‘klet’ horen als ‘slet’ en zich dan aangesproken voelen, kunnen  geheel ontroostbaar worden. En als jij de spreker was, dan word je spoedig de lelijkste mens ter wereld. Door roddel die enkel steunde op een moment van slecht gehoor. Spijtig is dit en pijnlijk.

De grote meester Breugel schilderde ooit een ekster die neerzat op een galg boven op een kale heuvel. Uit dat beeld spreekt een diepe verlatenheid waarmee Breugel in stilte bedoelt dat er meer ongelukkigen aan de galg zijn gekomen door een roddelende ekster, dan wel door eigen schuld. De roddelaar weet dat zijn score hoog ligt, vermits laster spannend klinkt en dus vanzelf een forum verschaft en een geestdriftig publiek. Die roddel is het zaad van het soort dat fluisterend de harten wantrouwig maakt en hen daarna grimmig verzuurt.

Roddel is een toegestane agressie die iemands kansen vernielen kan. De verspreiding van dit grensoverschrijdend, nog steeds straffeloos misdrijf werkt viraal en besmet ongeremd. Behalve dan zij die geloven in wat ze zelf hebben gevoeld en begrepen, de praatjes van anderen ten spijt. Ze zijn niet met velen, maar ze volgen hun eigen verstand en zintuigen en ze blijven een beminnelijke troost bij de pijnlijke kwaal die roddel in al haar vrijheid is. Waarom hebben al die anderen, die slechts andermans verzinsels geloven en doorvertellen, dan eigen zintuigen en verstand, laat staan een eigen geweten?

Ooit besloot ik om de zelfgenoegzame bonzen van de subcultuur anno 1978 eens zelf te gaan contesteren. Daarom ontdeed ik mij van hun kledij-iconen en bezocht ik de revolutionaire cafés in kostuum en das, à la ‘under the volcano’.  Eerst om na te gaan  of ze wel lief bleven voor mijn  ongepast imago. Hierbij viel op dat mijn lange haren, die er nog steeds waren, niet meer ter zake deden. Overal gesis en scheldpartijtjes van hen die zelf zo graag het establishment schoffeerden. Maar die plots als geïnstitutionaliseerde extremisten zelf werden geshockeerd door een prul zonder belang, zoals een kostuum of een das. Over geestelijke grandeur gesproken. Of zijn kledingstukken dan toch belangrijke symbolische iconen die kampen verwekken en dus strijd? Zoals vlaggen en vaandels en meer van dat soort fel bediscuteerd textiel.

          Mijn actie leidde tot mijn excommunicatie uit het kamp van de goedmensen. Ik heb van dan af leren leven met mijn verbanning uit hun voorbeeldig Elyseum. Maar zo’n verbanning en de sociale solotrip die daarop volgde versterkten enkel nog mijn visie. Ik ben dankbaar voor de inzichten die ik verwierf na wat er  plaats vond toen, zoals op die avond in een Antwerps gewijd café. Enkele jonge en nu gevestigde denkers, verbonden aan kwaliteitskranten, radio en teevee die ze later monopoliseerden, namen me het openlijk kwalijk dat ik de morele waarden vóór de politieke correctheid stelde, die avond in de Antwerpse Volle Maan.

Ze snapten het niet goed. Het is nochtans geen moeilijk vraagstuk, want wie moreel ‘helder’ is schiet niet op onschuldigen en verkoopt geen wapens die burgerdoden maken en steekt geen warenhuis in brand om het ‘sociaal bewustzijn’ te doen ontwaken. Toen mijn boek ‘Duende’ verscheen drong er zelfs een journalist binnen in de burelen van de uitgeverij  en sprong -letterlijk- op de werktafel van de redacteur, brullend: ‘waarom heb je die man uitgegeven’ . Weer zo’n borderliner die daarna de nationale media misbruikte om gevolg te geven aan zijn kleinzielige neurose. Rauw toch zo’n exponent van een  fanatieke ‘programado’, ongeacht of die apparatchik rechts is of links.

in de tempels van de avant-garde anno eind twintigste eeuw had je dus vanzelf enkel via je verschijningsimpact  snel zeer gemotiveerde en vurige discussiepartners. Op zijn minst ontkende dit toch al de toen nog heilige slogan dat het uiterlijk niet ter zake deed. Mijn maatpak ontkende dit. En opgelet met de sfeer , de vorm en de trekken van je gelaat. Graag zou ik er als een engel hebben uit gezien. Maar neen, zo was het niet. Ik zie eruit als de slechte in de films. Het was achteraf beschouwd dom van mij, om niet hiervan dadelijk mijn roeping te maken. Ik denk dat ik wel een rol in een of andere serie had gehaald in de makkelijke ‘be yourself’ stijl. En dan word je zelfs beroemd en ook nog bemind. Want dan ben je een acteur en een succes. Maar nu ben ik helaas slechts echt en kan ik niet ontsnappen aan wat ik zopas beschreef. De roddel van toen gaat nog steeds voort en groeide uit tot een ware legende, waaraan alleen de dappersten onder mijn kennissen weerstand durven bieden.

Maar wie stelt me tenslotte eindelijk eens voor aan wie ik nog wat te vergoeden zou hebben? Bij wie ik in de schuld zou staan. Echt dan wel en niet van horen zeggen. Feiten ditmaal en geen fictie. Bijvoorbeeld aan wie ik nog geld zou moeten. Of wie ik gewoon maar even zonder reden ‘affronteerde’? Wat zou dat louterend zijn en eindelijk ook verlossend. Zijn er zulke mensen?  Niet zij die het hebben van horen zeggen van hen die het dan weer vernamen van iemand die het elders had gehoord en zo voort. Neen, niet zulk gekwetter, maar mensen die mij in de ogen kijken en me zeggen wat ik hen heb misdaan. Hen persoonlijk. En als die er niet zijn, dat de laster en de kleinering dan nu stoppen. Ik heb er werkelijk genoeg van.

Dat de melders zich maar haasten, want het roddelverhaal duurt al  lang en een denkbeeldige stem begint voorzichtig door de luidspreker van het hiernamaals te herhalen:  ‘Gelieve u stilaan naar de uitgang te begeven’. Inderdaad, de resterende tijd wordt steeds korter. De tickets voor de paardenmolen zijn bijna op en de trein van de eeuwigheid hijgt dichterbij. Ik was een verkeerde prooi, beste jongens en meisjes uit de ‘correcte’ wereld.  Jullie maakten van mij een opgejaagd beest in uw public jungle. Hoe moet ik daarmee leven? Mag ik dat even wegschrijven? Ik weet dat dit stukje niet prettig was om lezen. Maar het is waar. En ook de waarheid verdient haar plaats.     

                                                                                                                                         

                                                                                                                   Ivo Hermans

 

Kovana paella traiteur

standplaats van De Koerier van Navarra en Pasos Largos

LANGDORPSESTEENWEG 184    3201 AARSCHOT / LANGDORP

 

Lange tafel Koerier van Navarra

 

De Koerier van Navarra (°1991) verkreeg zijn naam via de oude postdienst te paard tussen Spanje en Brussel, in de twee eeuwen dat Spanje onze Lage Landen bestuurde. Deze route liep over Rocesvalles in Navarra. Na een postconcordaat met Frankrijk. De culturele vereniging De Koerier van Navarra koestert communicatie tussen hier en ginds, geïllustreerd door de postruiter in ons logo.

We willen een dieper beeld scheppen van het land onder de Pyreneeën.   Slechts weinig verkenners doorkruisen het land binnenin, ondanks zijn overdrukke kusten. We doen geen dingen met  een hoog olé-gehalte richting  zon, zee en zand. De idee van de Koerier is langs verhalen, kookdemo’s, publicaties, voordrachten en concerten, de minder bekende Spaanse cultuur toegankelijk en  boeiend te serveren. 

De cultuurkring De Koerier van Navarra zetelde tot bij zijn vertrek naar elders in de Leuvense Erfgoedraad en werkt permanent samen met de cateringdienst Pasos Largos.  Ivo Hermans stichtte in 1991 De Koerier van Navarra, schrijft de boeken en is verteller en vuurmeester van De Koerier van Navarra.

Het verhaal van de Koerier van Navarra 

staat opgetekend in De Nomadentijd.

Het boek  ‘De Nomadentijd’  (°2018/242 pag. ) is verkrijgbaar als manuscript via info@kovana.com. 

 ZIE VERDER OOK GOOGLE:    ‘Ivo Hermans schrijver’  

 KLIK LINKS BOVENAAN OP DEZE PAGINA OP   ‘boeken’

 


Ivo Hermans Kovana

 Ivo Hermans in de plaza van San Fernando bij Cádiz in een flou artistique tijdens een ‘veronica de la muerte’  2002

Koerier van Navarra Leuven

De Koerier ooit: anno 2016 toen nog in Leuven

Ivo Hermans

Ivo Hermans, stichter van De Koerier van Navarra’

bij het verschijnen van zijn boek ‘Duende’ in 1998.

Ivo Hermans

Ivo Hermans bij een avondlijk gesprek 


 

EEN HERINNERING AAN DE HISPANOFLAMENCOS

Ooit trokken vele Vlamingen naar Spanje om er te werken als kunstenaar, vakman of soldaat. Sommigen verspaansten en men noemde hen de Hispanoflamencos.

In 1991 stichtte Ivo Hermans ‘De Koerier van Navarra’, een kring rond de Hispanoflamencogedachte en de Spaanse cultuur. De naam verwijst naar de oude postdienst te paard die Burgos verbond met Brussel en die nu voortleeft als een communicatiesymbool tussen de Nederlanden en Spanje.

In het begin was het lokaal van De Koerier van Navarra een klein muziektheater waar op bestelling flamencovoorstellingen plaatsvonden. Nu kan men er op aanvraag een demonstratie bijwonen over paella, gevolgd door een diner. Ook proeverijen van bijzondere Spaanse wijnen kunnen op bestelling.

Ivo Hermans is als kunsthistoricus gefocust op Spaanse en Latijnsamerikaanse themas.
Hij publiceerde ‘Duende’, de beheksing, een boek over Andalucía, flamenco en zigeuners. Verder is ook ‘Doce Doncellas’ van zijn hand. Twaalf vrouwenliederen of het witte en zwarte gelaat van de liefde. Recent schreef hij ‘Maskers van de zon’, een verhaal over wijn en stenen. Hermans is al sinds zijn jeugd in de ban van Spanje. Hij schreef zijn archeologenverhandeling, eind jaren ’70, op La Gomera. Later werkte hij vooral in Brussel in de grote tentoonstellingen, onder andere over de Azteken, de Inca’s en Europalia Mexico. In 1991 stichtte hij ‘De Koerier van Navarra’. Sinsdien verzorgt hij historiche verhalentochten in het Leuvense Groot Begijnhof rond ondermeer Alva, Farnese en Don Juan de Austria wiens troepen in Leuven verbleven.

Vaak vind je hem terug tussen de stenen ernst van Castilla of tussen de gitanos in Sevilla en Jerez. In het holst van de nacht, omwerveld door schimmen van drift en vergankelijkheid, en versmolten met de zang van de flamenco. We vroegen of je niet een Spanjaard moet zijn om dit alles te voelen. Hij antwoordde dat je ook geen Amerikaan moet zijn om de blues te voelen. Nationaliteit is één ding, maar gevoel is een ander.

Een verteltocht door het Leuvense groot begijnhof met Hermans blijft een belevenis en is telkens anders. De beeldenstorm, de geuzen, de tercios, de mystieke hofjes, de dochter van Austria, Paap Toên, de spin van het Escoriaal, paus Adriaan Boeyens, de inquisitie, de heksenhamer, de bloedraad, de wijn. U kiest maar!

Wie de Koerier ooit bezocht merkte naast het raam de reproductie van de Maria Magdalena van Isenbrandt, die nu prijkt in de kapel van San Gil bij het graf van El Cid in Burgos. En naast de grote spiegel aan weerszijden de twee tegenpolen. De mediamieke zanger Camarón de la Isla en meester Mairena. Aan de overkant, Antonio Nuñez ‘El Chocolate’ en aan zijn zijde de vrouwelijke paus van de soleares, Fernanda de Utrera. Maar de Koerier van Navarra was slechts een schakel in een net van wegen. Dit verzinnebeelden de foto’s naast het relicario op de toog. Een czardasviolist uit Boedapest, muzikanten uit Transylvanïe en de manouchezigeuners die Sarah la Cali in zee dragen in Zuid-Frankrijk. En aan de overkant in pastelkleuren een portschuit bij Vilanova de Gaia en de foto van de betreurde José do Carmo die zijn eerste Fado in Leuven zong aan de hoek van deze toog. Jaren voor de Portugalhype ontstond. Maar de eerste die men ziet bij het openen van de voordeur, hoog bij de lamp in het midden van de gang is Manolo Caracol, samen met Enrique el Cojo en Niño Ricardo, hét voorbeeld voor Paco de Lucía. Een momentopname uit het smokkelaarsmilieu van El Puerto de Santa María bij Cádiz. Op zulke plaatsen schuilt de echte flamenco. Verborgen, sensueel en gruwelijk. Volop doorvoeld en begrepen. En niet verkrijgbaar in ruil voor een ticket in het circuit van de burgerlijk gemanierde consumptiecultuur in zalen en cultuurcentra. Flamenco krijgt in de Koerier een bijzonder eerbetoon want het is één van de weinige Europese tradities die nog volop leeft en die bezield is met een actuele inhoud. Tegelijk is het ook een uiterst verminkte kunst omdat ze te lang als een folkloristische karikatuur is opgevoerd en spijtig genoeg vaak slechts in die gedaante wordt doorverkocht.

Clichédenkers met een hoog olé-gehalte snapten ons in het begin niet zo goed. Maar ondertussen wordt de Spaanse cultuur bij het brede publiek beter begrepen en tesamen daarmee ook de Koerier. De plaats drijft op poëzie. Het is een schuiloord voor herinneringen die weerspiegelen in het nu. Beelden die oprezen uit de lauwe as van de kinderhaard. Mijn herinneringen bevolken de eindeloze lucht van Spanje. Een wijdse droom waarin ik niet geboren ben noch geankerd maar waarin ik vrij kan zwerven. Spanje koestert parels van emotionaliteit waarvan je de beheksing nooit stuk mag denken.

Het was de duende die me naar Spanje bracht (Ivo Hermans). De beheksing. De vogel van de diepe aarde. Het zwarte beest dat glanst in het middaglicht, maar dat een glinsterende walm van nacht achter zich aansleept. Een walm van nacht, een masker van de zon. Met dingen verborgen achter de dingen. En met woorden die geen woorden zijn.


OOIT AAN DE RAND VAN DE STAD, WAAR DE LUCHT DE HUIZEN RAAKTE


 

De naam ‘flamenco’,  een Vlaamse achtergrond

Het woord flamenco werd al op allerlei manieren verklaard. Aldus een van de oudste maar weinig aannemelijke theorieën zou het een samentrekking zijn van het Arabische falah-menkoum, wat ‘lied van de landman’ betekent.

Een andere verklaring gaat over een mes dat in het Spanje van de 17de eeuw en later bolduque werd genoemd en afkomstig zou zijn uit ateliers in ’s-Hertogenbosch (Bois-le-Duc in het Frans).
De flamencos, teruggekeerde Spaanse soldaten uit Vlaanderen, droegen naar verluidt zulke messen als embleem. Onder hen waren ook gitanos die via hun legerdienst burgerrechten wilden verkrijgen.
Van het bolduque is in onze contreien echter geen spoor meer te bekennen. Experts van het Madrileense Palacio Real menen dan ook dat dit flamencomes met zijn langgerekte S-vorm van Moorse origine is. Rondtrekkende zigeuners en bandoleros in de Andalusische siërra’s droegen het met zich mee. Pas vanaf Carlos III werden alle zigeuners flamencos genoemd en heette hun mes in de volksmond el cuchillo flamenco. Zijn oriëntaalse vorm heeft dus ondanks de naam niets met Vlaanderen te maken.

Slechts één hypothese wordt gestaafd door betrouwbare historische bronnen. In Gent werd in 1500 Carlos geboren, de latere keizer Karel. Na de dood van zijn vader trok hij met zijn hele hofhouding naar Spanje. Zijn lijfwachten waren evenwel Vlamingen, flamencos, rauwe figuren uit het schuttersmilieu met een indrukwekkend postuur. Ze dronken veel, maakten lawaai, vielen de vrouwen lastig en sloegen af en toe een taberna kort en klein.

Keizer Karel en zijn gevolg verbleven een tijdje in Sevilla, waar de Vlaamse adel en het legerkorps kennismaakten met grote groepen hindoes, die na een nederlaag tegen de moslims vanuit Rajastan westwaarts richting Europa waren getrokken. Na een verblijf in Egypte waren ze via Noord-Afrika in Spanje gearriveerd. Ze noemden zich Egipcianos, Egyptenaren. Daaruit ontstond het woord gitano, wat in het Frans gitan werd en in het Engels gypsy. Ze onderscheidden zich van iedereen in Spanje in uiterlijk, taal, kleren en juwelen, dansen en gezang. Met de lijfwachten van keizer Karel hadden ze wel iets gemeen: het waren luidruchtige vechtersbazen en ook hun drankverbruik en interesse in feesten vertoonde overeenkomsten met los flamencos. Vandaar dat de Spanjaarden vonden: ‘Los gitanos parecen a los flamencos’ (de zigeuners lijken – in hun gedrag – op de Vlamingen). De zigeuners beschouwden dit als een eer, want de Vlamingen behoorden tot het koninklijke gevolg. Naarmate de tijd verstreek, verdween de verbinding gitano-flamenco.

Na de scheuring der Nederlanden in 1648 zochten verpauperde Vlamingen een nieuw bestaan onder de Pyreneeën, waar velen van hen verspaansten. Deze Spaanse Vlamingen of Hispanoflamencos brachten verslag over hun belevenissen in Spanje (ook omtrent ‘flamenco’) en gingen daarin Ford, Borrows en Washington Irving vooraf.

Omstreeks 1500 werd ook het startschot gegeven van bijna drie eeuwen zigeuner-vervolging.
Zo mochten zigeuners niet langer als nomaden rondtrekken. In 1633 werd de zigeunertaal – het caló – verboden en mochten zigeuners zich niet meer in steden vestigen. De zwartste dag uit de zigeunergeschiedenis is Zwarte Woensdag in juli 1749. Op die dag belandde het merendeel van de Spaanse zigeuners na een grootscheepse politieactie in concentratiekampen met scheiding der geslachten, wat neerkwam op een zachte genocide. 1783 was een keerpunt. Toen kondigde koning Carlos III zijn Humanitaire Wetten af. Carlos III wilde de zigeuners in de kampen burgerrechten en een paspoort verlenen, waardoor ze het recht zouden verwerven zich in de Spaanse steden te vestigen. Op voorwaarde weliswaar dat ze zich bekeerden tot het christendom, sedentair werden, Spaans zouden spreken in plaats van caló, legerdienst verrichtten en belastingen betaalden. Velen gingen akkoord en werden gitano señorito. De anderen marginaliseerden in sloppenwijken en huttendorpen, de ‘chabolas’ rond de moderne grote steden van Spanje.

De zigeuners onthaalden de koninklijke propositie op een tegenvoorstel. Zij vroegen de vorst toestemming om de negatieve term gitano te vervangen door het oude synoniem uit de tijd van Carlos I in Sevilla, namelijk ‘flamenco’. De koning stemde toe. Vanaf toen sprak men niet langer van el pueblo gitano, maar van el pueblo flamenco. Vanaf toen heette ook hun zang el cante flamenco en de dans el baile flamenco. Een eeuw later werd dit alles vervolledigd met de komst van de guitarra flamenca.

BANDOLEROS

Bandoleros in Ronda

Een belangrijk gegeven in de geschiedenis van Zuid-Spanje is het verschijnsel van de bandoleros. Als verzetstrijders tegen Napoleon worden ze later rebellen tegen de feodale praktijken van de grootgrondbezitters. Dit idealisme onderscheidt de bandoleros van de bandidos, die men overal ter wereld vindt in lompen of met vlinderdas, en die enkel gedreven zijn door zuiver egoïsme.

Het fenomeen van de bandoleros behoort niet tot vergane tijden, maar duurde voort tot na de dood van Franco en is er nog steeds. De ‘laatste’ beroemde bandolero, Pablo Pérez Hidalgo, gaf zich in de heuvels boven Marbella over aan de autoriteiten pas in 1976, toen koning Juan Carlos de macht overnam in Spanje en de Ferrari’s stilaan slopen naar de Golden Mile. De beroemdste bandoleros waren Curro Jiménez, José María El Tempranillo, Pedro Lacambra, Pasos Largos en de beeldschone Juana la Valerosa.

In dit milieu, met diepe raakpunten met de gitanos, leeft de echte flamenco die nog geen handelswaar is of flets en geprogrammeerd academisme. Anno nu leeft de geest van de bandoleros spijtig genoeg enkel verder langs de obscure smokkelroutes van overzeese ‘mercancia’. Vanaf de havens van Cádiz, Algeciras, La Coruña, Málaga, Almería, Valencia, Barcelona … via Madrid over de denkbeeldige snelwegen van de drugs. Een wereld vol macabere en onthutsende emoties. Maar ook die zijn een aspect van Duende. Dit miraculeuze Lorcaanse toverwoord is eveneens de titel van het flamencoboek door Ivo Hermans, de stichter van De Koerier van Navarra.

 

     oOo 

                                

De bobo’s

zoals ze wel eens verschenen aan de toog van De Koerier van Navarra

 

Bobo’s, bourgeois-bohémiens dus,  snellen over de planeet en meten zich op de seconde allerlei kennis en expertise toe. Maar toch lijken ze allergisch aan de inspanningen hieromtrent. Hun denken en handelen wordt bepaald door het APR: Het Anti Patriarchaal Ressentiment. Het vaderconflict dus dat de ketens van het gezag wil breken. Ik vond deze term uit ergens toen ik genoeg begon te krijgen van al die bobo pose en betweterij.

Eenvoudig gezegd is APR in de volksmond ‘wringen’.  Ondanks de heldere samenhang van oorzaak en gevolg schijnt die verbinding voor APR’s toch niet te bestaan. Het APR-syndroom zorgt ervoor dat zijn patiënten het leven omgekeerd lezen en zodoende evidenties afvoeren als ‘prul’. Voor de APR’s schijnt de zon ’s nachts en is de wereld een plat vlak waar men omheen kan vliegen en omheen kan reizen, de onderkant niet te nauw genomen.

            Reizen is een bobo-voorkeuritem en reizen kan langs vele wegen. Als hoteltoerisme bijvoorbeeld, dus als een pure rust voor lijf en geest. Maar reizen kan ook als cultuurspotting voor mensen met een rijpere ontdekkingsdrang. Of als een mystieke zwerftocht in zichzelf, waarin de dolende tot inzicht komt. Maar de kans bestaat natuurlijk dat de hoteltoerist al gauw meent een land en een volk te doorgronden, nadat hij enkele dagen ergens op een opgepoetst strand heeft gelegen. En daar met zijn natte zwembroek neerploft in een restaurantstoel, en de print van zijn billen afdrukt met zeewater op zijn stoelkussen. En dan een westerse variant van de streekkeuken ontdekt.

Of we trekken naar de wildernis. Een cultuursafari met een gids in een busje verschilt qua omgevingsbeelden op foto niet zoveel van een trektocht te voet.  Toch gaapt er een kloof tussen de veilige ervaring in de bus en ergens solo wandelend, als plots een wilde leeuw opduikt. Die ervaring zet zich zeker in je leven vast en wordt, als je het overleeft, ongetwijfeld een herinnering en een thema bij straffe verhalen. Zulk een onderscheid bestaat er ook tussen een tocht te voet bij nacht door een riskant stadsweefsel, op zoek naar de ongeschonden identiteit van een marge, zoals de nocturne flamencocafé’s in Jerez vol zigeuners, en de burgerlijke variant hiervan die een abonné thuis te zien krijgt, als een klokvaste dansvoorstelling in het plaatselijk slaperige cultuurhuis. Vooral mijn flamenco-gidswerk prikte me diep door dat gezever van de bobo’s.

Bobo’s of bourgeois-bohémiens beweren verder dat reizigers – zoals zij – geen toeristen zijn. Daarin hebben ze gelijk. Want reizigers hebben diepere motieven… Ze zien er ook solider uit in merkkledij dan in een stofjas. En na een tijd past een loft hen beter dan een boomhut. Bobo’s vinden imago en ‘look’ allerbelangrijkst. Inhoud is niet zo van  belang. Die is makkelijk te veinzen. Maar een degelijk imago biedt de schijn van kunnen en succes. Daarom poseert de bobo graag met zijn kwaliteitskrant of met de cover van een bestseller of zo.

Lang geleden, in de vergane eeuw, kwam hij in de ban van Helder Camara. Dat was toen hij nog blokfluit speelde in korte broek bij het koor van de katholieke school. Maar plots veranderden de tijden en zo ook hij. Hij stormde vooruit, weg vanonder de preekstoel naar het ‘moet kunnen zonder God’ in ’68. Van de namaakmystiek naar de fake-omwenteling. Nog niet helemaal veranderd, maar toch al goed op weg, schopte hij alles naar buiten. Eerst werd hij een rode katholiek. In volle vaart. Tradities, het oude geloof, vroegere gewoonten, …  alles moest eruit! Hij geloofde nog maar enkel in het nieuwe, dat nog geen gedaante had. Even vlot als hij het oude had afgezworen. Op de knip. Zo makkelijk ging dat.

Hij veranderde van een scout in een revolutionair. Alles, behalve zijn slogans, schopte hij buiten. Maar de tijd rijpte zijn geest. In hem vocht de burger tegen de zwerver. Daarom is hij nu een bobo.  Een bourgeois-bohémien. Tegelijk een burger en een zwerver. Zowat ergens tussen de twee, met een grote nadruk op comfort en fun. Hij dweept met Stalin en Carla del Ponte, die nog steeds kettingrookt, en hij bezoekt ngo’s vanuit een luxehotel. Hij is een politiek correcte ‘fijne knul’, maar diep in zichzelf is hij een immorele hypocriet. Hij behoort tot het soort dat straffe slogans roept, maar dat zijn harde laars veegt aan de splinters van zijn geweten, indien hij dat zou hebben. ‘Ach kom, wat zou dat nou’ zegt hij, ‘met wat fijne maniertjes en wat bon ton red ik het wel’. Hij kent immers zijn vrienden… Leed met weerhaken interesseert hen niet. Zij vinden dat wuftig. ‘Leve het salon littéraire’ roept hij, met de glans van pep en pose.

In het dagelijkse verhaal blijft de bobo een post-links burgertje met beleefde maniertjes en zenuwachtige interesses. Slechts moeizaam in staat om gevolgen aan oorzaken te koppelen. Hij is de narcist met de rode vlag, die stilaan van kleur verandert. Gefortuneerd maar moreel failliet. De egotripper met geveinsde bekommeringen. De avonturier die niettemin bang is voor de kick van de val. Hij spreekt regel en wet voor de goedmens. De goedmens zoals hij, die heel anders is dan de foute kwaadmens. Hij doet dat met zwier, maar ook met de beklemmende geur van een niet te vertrouwen voosheid. En hij valt je in de rede bij je eerste lettergreep.

De bobo haast zich toch om minstens in schijn belezen en doorleefd te lijken. Zo herinner ik me twee modelbobo’s die terugkwamen van een airco-boottocht op een platbodem luxeschip met een transparante bodem op de Amazone. Daar hadden ze de hele vaart lang gekwetterd over hun volgende deltaplane-reis naar Antarctica, zonder ook maar even door die glazen vloer naar beneden te kijken. Naar de wervelende wereld in de machtige stroom onder hen, waarover die dure riviercruise toch in feite ging.  Maar dat gaf niet. Niemand wist immers dat dit spektakel  hen eigenlijk koud liet én ze waren toch op die boot geweest. Over die score ging het. Dat zouden ze straks in triomf en met gloed vertellen bij een lange koffieklets met hun al even bereisde snelle vrienden en vriendinnen.

Na eerst een vluchtig en gezellig stopje in de States via het Guggenheimmuseum voor een blitzbezoek, en daarna een lange shopping en een luw terrasje met hun koffietje ergens in New York en met wat gossip erbij. Want dat is pas leuk. Daar gaat het eigenlijk om. Dat is de easy-kick in de onderbuik. En je wordt er niet moe van. Op dat terrasje, waar ze een supergoed, of beter een superbekend boek supersnel doorblaren, lezen dus, dat ze zoals altijd ook supersnel zullen vergeten.

k hoorde hun conversatie in stopwoorden over de laatste vier van de zes tentoonstellingen die ze de afgelopen week hadden gehaald en die ze zich haast niet meer herinnerden. Maar dat gaf ook niet. Want in hun kring werd er enkel gepraat over waar men was geweest, en nooit over wat men had gevoeld, laat staan begrepen. Over titels van boeken en films ging het, en over namen van musea. Dat was voldoende om zwaar genoeg te wegen. En wat hen in hun kwaliteitskrant niet was opgevallen zou volgens hen ook wel niet de moeite zijn. Hoe dan ook, ze zouden alles toch weer snel vergeten, zoals Wikipedia-commando’s, die niet tot morgen onthouden wat ze vandaag nog niet wisten. En maar kletsen verder. Zoals sommige wereldiconen, die een volk hysterisch aan zich vastpraten, maar die later, zoals vaak, als demonen worden verguisd. 

Om aan die sombere gedachte te ontsnappen nemen de bobo’s wel eens plaats in een Brusselse tram voor een bezoek aan het park voor de gevel van het paleis van gewezen koning Alberto Segundo. In dat park groeien thans bananen waar iedereen in tropisch geluk mag van eten tijdens de nationale 21 juli-salsafeesten, waarbij traditioneel de rivaliserende landstammen een avond lang in naastenliefde met elkaar dansen. En aan elkaar Latijnse en Germaanse oergrappen vertellen. Over het carboonwoud of zo dat de volkeren en hun talen gescheiden hield. Op dit feest voor één dag. 

Maar de naastenliefde ten spijt zullen ze later in de hemel kwaad zijn als ze merken dat iedereen daar is. Voor altijd dan wel. Zou God de duivel niet ogenblikkelijk herkennen, als die zich in een kazuifel had vermomd? Bij mensen vergt dit proces wat tijd. Maar zo’n ontmaskering is een onvergetelijke belevenis.

Ik voel diep medelijden met de blinden van ’68 die de extreme politieke en filosofische schijnheiligheid kritiekloos hebben gevolgd. Broers en zussen of voorouders van de bobo’s dus. Was dat maar verleden tijd. Maar niet weinigen, spijtig genoeg, doen dit nog. En als je hen duidt, stormen ze dadelijk woest op je af. Ridiculiseer bij wijze van voorbeeld in progressief Vlaanderen maar eens de Humo, die zelf alles uitlacht behalve in ernst zichzelf. Humo, wat toevallig ‘rook‘ betekent in het Spaans. De damnatio memoriae volgt dan wel. Terloops, het woord ‘bobo’ bestaat ook in het Spaans en duidt op iemand die wat simpel is in zijn ideeën.

Nog wat prentjes? De oude bobo’s beschimpten sportwagens in 1968, wat ik me nog met gevoel herinner. Tot ze later hun iconische tweepeekaatjes – die ooit zo ‘toffe’ imagemakers – toch verloochenden, en ze dan vervingen door het pk-vehikel dat ze echt verlangden. En ze bekijken met tederheid de foto’s van ooit aan de Ardèche of zo, of op andere hippe plekjes van toen, met hun deusjevooke er nog bij. Nu ze keuvelend bij het haarvuur zitten met enkele correcte, gelijkgestemde illuminaten bij zich.  Bij een te warme, dure fles wijn. Hier in hun post-Bauhaus consumptievilla waar ze nauwelijks moesten voor werken, toen bompa aan de rand van de stad zijn uitgestrekte boomgaarden kon verkopen voor percelen villagrond.

Wat zijn die oude revolutionairen toch gewiekste rekels, niet?  Ze kennen dat allemaal, weet je. Terwijl ze nog een schouderklopje geven aan een makkertje dat ze van de redactie van een damesblaadje wegplukten en opduwden naar het management van een nationaal bedrijf. Op zichzelf sensationeel en bijna sympathiek, zo’n waagstuk. Zolang zo’n spelletje maar geen te grote brokken maakt. Als het slechts over geld of politieke uitkijktorens en titels gaat, zoals gewoonlijk, dan valt het allemaal nog wel mee. Maar met mensenlevens worden zulke grappen ernst. Stalin, Pol Pot en Hiroshima bestonden ook. Ooit mooi opgeschminkt door slogans en affiches.  En wat er nu bestaat, klein en groot, weten we allemaal. De berichtgeving bulkt ervan. 

De wereld in verandering organiseert zich ondertussen steeds meer. Met precieze regels opdat niemand misbruik zou maken van ‘de vrijheid’. Maar hoe ver zijn we op die manier weggeraakt van de echte, wilde vrijheid? We kwamen terecht in de grijpende klauwen van stoffige ambtenaren, spiedende boekhouders en no nonsense managers, ook in de cultuur. Heeft een popfestival van nu nog écht zoveel met Woodstock te maken? Voelt een spontaan en vrij zigeunerfeest in de Karpaten hetzelfde aan als een geprogrammeerd klokvast gipsyconcert in ruil voor een entreeticket in een beschaafd cultuurcentrum van gelijnde baksteen met abonnees op rijtjes, stilletjes op hun stoeltjes met een flyer op hun knie? 

Ik denk dat het beter is om mensen te laten zoeken naar spanning, dan daarentegen alles makkelijk als popcorn te verkopen. Door hen bijvoorbeeld uit te leggen dat de dingen die we hier als een cultuurproduct vlot consumeren, elders in hun ware biotoop zich slechts behoorlijk riskant laten benaderen. Maar wie dat probeert te verklaren krijgt te horen van de doorreisde bobo dat een beknopte les in geschiedenis eigenlijk niet hoeft. Het concert spreekt toch voor zichzelf, niet …

Het wordt hoog tijd dat we weer zoeken naar de fantastische vrijheid uit die verdwenen wereld van ooit die trouw bleef aan idealen, en niet aan schuine manipulaties. Daarom vaart men beter niet langer tussen de stramme oevers van links of rechts. Begrippen die verworden zijn tot storende politieke folklore.  Het is beter om voor morele dan wel voor politieke correctheid te kiezen. Want ‘politiek correct’ is vaak niets meer is dan slechts een schijnpose achter een handvol regeltjes, voor hen die niet durven zoeken tot bij de spits van het probleem, om de bon ton van hun syntone cluster niet te schofferen. Vaak veranderen zulke poseurs in dwangneuroten, die onredelijk gaan schelden als ze hun ongelijk voelen naderen.

Ik opperde het aleens nierboven als  ‘una idea’. ‘To live outside the law, you must be honest’ zei Bob Dylan ooit.  Niet enkele regeltjes tellen, wel ontelbare momenten van morele arbitrage via je geweten. Iets wat overigens pijn kan doen en niet zelden leidt tot isolatie. Maar hierbij betreden we het paleis van de zwerver die de buitenwereld vastknoopt in zijn ziel en dan afreist naar binnen. De zoeker die doolt om te terug te vinden wat al verloren lijkt. De albatros die zweeft in de eindeloze binnenruimte, ‘outside the law, but honest’. Het tegendeel van de bobo die juichend niet ophoudt met narcistische selfkicking.

Maar binnen in hem, aan de stille overkant van zijn imago, bidt de leegte hulpeloos om vulling. ‘Wie krijst zingt beter’, zegt hij. En hij swingt links voor de schijn en rechts voor de winst. Hij is de extreme liberaal, vermomd als een toffe en verlichte bohémien. Wie niet is zoals hij – zo meent hij – is niet mee en dus mislukt. Hij kweekt en slacht zijn goeroes uit de losse pols.  Als de tijden wisselen. Ach, ik geloof dat Turner waarschijnlijk geen zin had om te gooien met de verfpot van Appel en dat Van Gogh zich liever geen oor liet aannaaien. Of toch? Hopelijk volgen de echte reizigers het spoor van de wielen. Vaarwel bobo’s.